HOOFDSTUK VI
STINA
Heaven bend to take my hand
and lead me through the fire
Be the long awaited answer
to a long and painful fight
   - Sarah McLachlan, Fallen

‘Heeft u misschien naald en draad?’ Stina hield de naden van haar gescheurde T-shirt met haar vingers tegen elkaar.

De barvrouw bekeek haar. Ze had geen onvriendelijke blik. ‘Ben je gevallen?’
‘Ik ben beroofd en mijn geld is gestolen.’ Ach, het was maar half een leugen, nietwaar? Twee euro vijftig had ze in haar zak gehad toen ze vetrok uit Pont Newich; de laatste euro daarvan was haar ontnomen door grijpende mannenhanden. Die hadden eigenlijk ergens anders moeten zijn, maar vonden door haar geworstel eerder haar broekzak dan haar kruis. Trouwens, beroofd klonk stoerder: het betekende dat het niet haar eigen schuld was dat ze eruit zag als een landloper.
‘Vooruit.’ De barvrouw droogde haar handen af aan een doek. ‘Momentje.’
Stina knikte. Het was druk in de gelagkamer - mensen zaten aan hun ontbijt, lazen een dunne krant of praatten met elkaar. Allemaal zagen ze eruit als reizigers die waren voorbereid op hun tocht. Uit angst was ze de vorige dag de sloppenwijk uitgevlucht, zodat ze zich nu misplaats maar wel veiliger voelde.
De vrouw kwam terug met een klos garen en een naald. Stina bedankte haar voordat ze zo ver mogelijk in een hoek van de ruimte ging zitten.
Mensen keken naar haar. Ze durfde haar T-shirt niet uit te trekken. Daarom naaide ze met gebogen hoofd de stof aan elkaar. Het werden onregelmatige, grove steken en twee keer stak ze zichzelf vlakbij haar borst. Met haar tanden beet ze de draad af. Gelijk rees het kippenvel op haar armen: wat een rotgevoel.
De vrouw kwam naar haar toe. Stina wilde haar de klos garen teruggeven. In plaats daarvan kreeg ze een bord soep voor haar neus. De geur van vlees en groente overspoelde haar.
Stamelend zei ze: ‘Dat heb ik niet besteld.’
De vrouw wees op een bordje dat bij de ingang hing. ‘Je mag hier niet zitten zonder iets te bestellen.’
‘Maar mijn geld…’
‘Je staat op het punt om van je stokje te gaan, of niet?’
Ze keek naar het bord. De soep was dik. De warmte ervan stoomde in haar gezicht. ‘Hoe moet ik het dan betalen?’
De vrouw had een brede glimlach. ‘Je mag afwassen.’
Ze schrokte de soep op, hoewel die nauwelijks goed was afgekoeld. Het brandde haar mond, maar het was de beste soep die ze ooit had geproefd. Op de soep van haar moeder na, natuurlijk.

De keuken van deze plek was niet groot. De vrouw liet Stina zien waar de afgewassen borden moesten worden gezet en Stina overwoog om haar om permanent werk te vragen.
Ze deed het niet.
Ze werd alleen gelaten met aan weerszijden een stapel borden - die konden nooit van alleen deze morgen zijn - en een teil met soppig afwaswater.
Waarom ben ik niet thuis, dacht ze. Waarom ben ik niet gebleven?
Het was niet voor het eerst dat ze zich dit afvroeg. Maar was het haar verdomme niet elke keer gelukt om ergens anders aan te denken? Om niet na te denken, zich alleen maar te richten op het overleven van een nieuwe dag?
Er was afwaswater in haar ogen gekomen: het prikte. Onhandig veegde ze het weg met de rug van haar hand, maar daardoor werden haar wangen alleen maar natter.
Nee, ze huilde niet, dat mocht niet. Ze was alleen nog overstuur van wat er was gebeurd. Morgen zou het beter zijn, en de dag daarna en de dag dáárna -
Hoe zou het met Jonathan gaan? Had hij wel iemand om hem te beschermen? Ze wisten toch wel dat hij bescherming nodig had? Hij was altijd al zo’n moederskindje geweest...
Met trillende handen borg ze drie borden op in de kast. Nooit kon ze vragen of ze hier mocht blijven, ook al wilde ze dat best. Jonathan mocht haar immers nooit vinden - ze had zijn leven aan diggelen geslagen, als een mislukte glasplaat.

Haar handen waren rood en geïrriteerd toen ze zich eindelijk door de berg van borden had geworsteld. Vanuit de gelagkamer klonken nog wat stemmen, maar de meeste mensen waren vertrokken. De deur stond op een kier, waardoor ze kon zien dat de vrouw in gesprek was met een van haar klanten.
Stina keek de keuken rond. Aan de muur hingen een paar haakjes met snijmessen. Ze trok een la open: bestek. Aan een rekje hingen schone vaatdoeken. Ze gluurde nog eens door de kier, maar nog steeds maakte de vrouw geen aanstalten om haar kant op te komen. Daarom nam ze het middelste mes van de haak. Het snijvlak was zo lang als haar hand en aan beide kanten scherp geslepen. Om zichzelf niet te bezeren, wikkelde ze er snel een van de doeken omheen voordat ze het onder haar kleren verborg. De diefstal zou snel genoeg opgemerkt worden. Stina zette haar meest onschuldige gezicht op, liep de keuken uit, naar de bar.
‘Bedankt voor uw hulp.’
Weer nam de vrouw haar op voordat ze antwoord gaf. ‘Je ziet er niet uit, weet je dat?’
Als vanzelf haalde ze een hand door haar haren. Ze wist dat het piekerig was: ze had het met een mes afgesneden, waardoor de plukken onregelmatig in haar nek lagen. En hoe ze ook haar best deed om het te verhinderen, de plukken bleven steeds in haar ogen vallen.
‘Je hebt ook modder op je gezicht.’
‘O.’ Ze wreef met haar mouw over haar wangen.
‘En een puistje op je voorhoofd.’
Stina liep rood aan. ‘Dat is een insectenbeet!’
De vrouw grinnikte. ‘Wat heb je onder je kleren verstopt?’
Ze wist het: haar gezicht werd nog roder. ‘Ik houd niets verstopt.’
‘Weet je dat zeker?’
‘Wat? Natuurlijk weet ik dat zeker!’
‘Mag ik dan even kijken voor de zekerheid?’
‘Nee!’ zei ze schel. ‘Blijf van me af! Ik ben geen leugenaar.’
‘Al goed,’ suste de vrouw. ‘Maak niet zo’n stennis. Waar ga je nu heen?’
Schouderophalend antwoordde ze: ‘Gewoon. Ergens. Waar ik wil.’
‘Hm. Je ouders zouden je niet zo alleen mogen laten ronddwalen.’
‘Pech dan. Ik heb geen ouders.’ Ze schrok zelf van wat ze zei. Het was de eerste keer dat ze de woorden zelf hoorde en ze klonken hard. Als een vloek of een vuile leugen. Alleen was het dat niet.
Het maakte haar boos. De meelevende blik van de vrouw werd een belediging. Dat ze zachtjes ‘Dat spijt me,’ zei, klonk hypocriet. Want wat had ze nou aan spijt? Ze werd er niet rijker, schoner of gelukkiger van.
Zonder een woord te zeggen liep ze weg.



Stina hield de weg in de gaten onder een klein beetje sputterend straatlicht. Het mes dat ze gestolen had, zag er groot en bedreigend uit, zelfs naar haar toe. Het was alsof het zou uitschieten naar haar hart, als ze het niet met stijve vingers bleef vastklemmen.
Ze wist dat ze aan slaapgebrek leed. Af en toe vroeg ze zich plotseling af of ze niet in een droom beland was - ja, dan wist ze een paar tellen zeker dat alles niet meer was dan dat. Eigenlijk sliep ze al ergens waar het veilig, warm en droog was. Helaas deed het steeds pijn als ze zichzelf in haar armen kneep.
Vreselijk hoe de wind onder haar kleding tastte. Ze wist zeker dat zelfs haar botten inmiddels lagen te rillen in haar lijf. Waarom kwam niemand langs haar schuilplaats? Sliepen dan werkelijk alle mensen in Nieuwvangar zo vroeg?
Eindelijk: voetstappen. Haar hart bonkte te luid; de voetganger moest het zeker horen. Ze wachtte een paar momenten. Toen viel een schaduw over haar heen, samen met de sterke geur van drank. Het was een donkere man; zijn gezicht ging verscholen achter de rand van een afgezakte hoed.
‘Da,’ zei hij als begroeting.
Stina verborg het mes achter haar dij, maar klemde het nog steviger in haar hand. Ze zei niets.
‘Wavvraag je?’ vroeg de man weer. Hij had de dikke en uitgerekte klanken van een dronkaard.
‘Ik vroeg niks,’ antwoordde Stina. Waarom had ze zichzelf in de hoek van twee huizen knelgezet?
Hij lachte hikkend, hief een hand en porde met een vinger tegen haar borst. ‘Hoeveel vo’ dit-’ hij liet zijn vinger zakken, ‘en vo’ dit?’
Misselijk sloeg ze zijn hand weg. Het viel slap terug tegen zijn lichaam. Ze wist zeker dat ze liever de wind onder haar kleren voelde dan hem, al vroor ze duizendmaal dood.
‘Ik ben geen hoer! Ik wil je geld - of..of je leven!’
Hij hikte weer - was dat eigenlijk wel een lach? ‘Blabla…Ik heb glow. Wilje glow?’
‘Ik zei: ik wil je geld!’ Ze bracht het mes omhoog en prikte zo hard als ze durfde in zijn richting. Het raakte hem nauwelijks. Hij deed een stap naar achteren, dook met een hand in een zak en haalde een dun buisje tevoorschijn. Er zat een naald aan.
‘Koud, ofnie? Glow doe’ je niks hoor. Lekker warm.’
     Zover als ze kon stapte ze achteruit. ‘Hoe warm?’
     ‘Wilje foelen? Hier.’ Hij stak zijn hand weer uit, maar ze dook weg. ‘Zeg meissie, ik neuk geen kouwe lijfjes - net een lijk, jij.’
   ‘Ik zei je geld of je leven, vieze junk! Rot op of ik snijd je kapot!’ Hysterisch stak ze weer met het mes, raakte hem ergens bij zijn pols. Haar handen trilden zo erg dat ze niet goed kon mikken. Ze durfde niet dichterbij te komen.
  Het scherpe mes liet hem misschien toch iets van het gevaar zien. Na een aarzelend moment stopte hij de spuit terug. ‘Straatnimf, regenspook,’ hoorde ze hem mompelen. ‘Nooit gehoord. Niet goed wijs. Geld of je leven, hi. Glow of je leven. Dada.’
  Dat laatste was misschien een afscheidsgroet, want hij hief zijn hand terwijl hij van haar wegslenterde. Stina leunde met haar hoofd tegen de muur achter haar, en slikte en slikte tot ze kon huilen zonder geluid te maken.
  Het licht boven haar haperde, alsof het stuiptrekkingen maakte. Toen doofde het uit. Ze wreef over haar ogen en keek omhoog. De lantaarn die in de wind hing te kreunen, gloeide nog een beetje na, maar had zijn strijd tegen de nacht verloren. Bevend haalde ze adem. Alleen het kleine, afstandelijke sikkeltje van de maan was over, maar dat was koud en onvriendelijk. Bovendien had het al eeuwen op de aarde neergekeken zonder ooit iemand van dienst te zijn. Veel goeds kon ze daar dus niet van verwachten.
Misschien moest ze hier gaan liggen, maar zien wat er van kwam. Als ze wakker werd, was er een God die genadig voor haar was geweest. Zo niet…
  Voor een tweede keer hoorde ze iemand naderen. Het waren zachte en doelgerichte voetstappen; niet de tred van iemand die bezopen was. Ze wist dat iemand die haar niet verwachtte haar ook niet zou zien: zonder de lantaarn was ze versmolten met de winternacht. Angstig hief ze haar mes weer, drukte het staal dicht tegen haar borst. Durfde ze? Als het ditmaal goed ging, had ze geld voor een bed, voor dekens en een dak boven haar hoofd. Ze wilde slapen! Nog meer dan naar voedsel verlangde ze naar rust.
  Nu of nooit: de persoon passeerde haar. Ze ademde in, hield de lucht hoog in haar borst gevangen terwijl ze haar benen dwong om die drie passen naar voren te maken. Ze drukte het lemmet tegen zijn keel - daarvoor moest ze haar arm onhandig strekken. Haar adem kwam vrij als een wolkje in de koude lucht. ‘Je geld,’ piepte ze.
  Hij stond stil.
 
Stina wist niet zeker of hij haar wel gehoord had. Ze opende haar mond om haar woorden te herhalen, maar toen schoot zijn arm uit en greep hij haar pols. Hij kneep zo hard dat ze haar botten dacht te horen kraken. In paniek begon ze te worstelen en met haar hak stampte ze op zijn voet. Dat had effect: ze was los, maar zo plotseling dat het snijvlak van het keukenmes hem ergens had gesneden. Tenminste, dat dacht ze, want hij vloekte iets onverstaanbaars en daarna sloeg hij haar hard in haar gezicht.
Het mes viel op de grond. Stina staarde er beteuterd naar terwijl ze een hand tegen haar wang drukte.
‘Ben je gek geworden?’ snauwde de man die haar in de steeg van de drie overvallers had gered.
Het brandde waar hij haar had geslagen. Ze slikte. ‘Ik wist niet dat jij het was.’
‘Niet zo familiair, jij.’
‘Sorry.’
Hij schudde alleen zijn hoofd.
Als haar vader boos was geweest, had hij met zijn stem heel de stad bij elkaar getoeterd. Ze werd zenuwachtig van zijn stilte. Om zich een houding te geven, raapte ze het mes op. Langzamer dan nodig was schoof ze het terug onder haar riem. De wanhopige pogingen tot overval waren allebei mislukt.
  Het viel haar op dat zijn gezicht in het maanlicht mooi was. Hoewel zij zich vertikt en alleen voelde door de nacht, leek die hem niet te deren. Hij zag er juist kalm uit in het donker. Niet als een monster maar als een engel.
‘Ben je levensmoe of ondankbaar?’ vroeg hij plotseling.
   ‘Wat?’
   ‘Ik spreek geen Chinees, of wel?’
    ‘Ik ben het allebei niet.’
    ‘Dus dit is jouw idee van uit de problemen blijven?’
    ‘Wat?’
     ‘Wat? Is dat het enige woord dat je kent? Ik red je leven en jij zit als een heroïnehoertje op straat.’
     ‘Ik heb je al gezegd dat ik geen hoer ben.’
      ‘Kan me niet schelen, zei ik al. Ik heb één van de vijf schoten aan je verspild.’
      ‘Ik zei toch dank je wel en sorry.’ De schrik was weggeëbd en ze had geen zin om ruzie met hem te maken. Dat hij niet dronken was, stelde haar gerust.
  ‘Weet je dat het vriest?’ vroeg hij op conversatietoon.
  ‘Natuurlijk weet ik dat.’
  ‘Er ligt ijs op de plassen. Dat had je vast al gezien.’
   Ze wilde hem niet horen zeggen wat hij bedoelde. ‘Die smelt als de zon opkomt.’
 
‘Pas wat beter op je tellen.’ Hij liep hij langs haar heen. Ze draaide met hem mee, zodat ze tegen zijn rug aankeek. Ze hoefde niet naar beneden te kijken om te weten dat het waar was: er lag inderdaad ijs op de plassen. Het maanlicht scheen er bleekjes in.
  ‘Wacht!’ Ze rende hem achterna.
  Hij stopte niet, maar toen ze hem inhaalde keek hij opzij.
Ze sloeg haar armen om haar eigen middel. ‘Laat me niet alleen.’
‘Je bént alleen, uk.’
‘Noem me geen uk.’
‘Nog meer bevelen?’
Ze schudde haar hoofd.
‘Begrijp me niet verkeerd,’ zei hij. ‘Het is alleen dat ik mijn schot niet wil verspillen.’

Hij loodste haar een klein logement in. Hoewel het laat was, stond er iemand geleund op de bar. Hij leek te slapen, maar knikte even ter begroeting toen ze langsliepen.
Ze moesten een krakende, donkere trap op voordat hij de deur opende naar een smalle kamer met één dichtgetimmerd raam. Het was er net zo donker als buiten en even vroeg ze zich af of dat zo zou blijven. Toen hoorde ze de klik van een lichtschakelaar. Een klein peertje begon aarzelend te flikkeren. Daarna draaide hij een kachelknop om. Vanuit een paar verroestte buizen klonken harde tikken.
  ‘Een verwarmingssysteem van ver voor de ramp,’ zei hij.
  Ze wist niet of hij het tegen haar had, of tegen zichzelf. Voor de zekerheid knikte ze, alsof zij er verstand van had.
  Hij draaide zich naar haar om. In het kunstmatige licht kon ze hem goed zien. Hij was jonger dan ze gedacht had. Ouder dan zij en Jonathan, maar jonger dan haar vader. Hij zag onnatuurlijk bleek, maar dat was misschien alleen het rare licht. Trouwens, zag niet iedereen bleek in de winter?
‘Je mag wel gaan zitten,’ zei hij. ‘De vloer zakt niet door.’
Stina keek om zich heen, maar behalve een hoekbed waren er geen stoelen of kussens. Aarzelend liet ze zich tegen de rochelende verwarming aanzakken.
Hij haalde een fles uit een zak die op het bed lag en bood die aan. Ze keek er wantrouwend naar.
‘Wat?’ vroeg hij. ‘Denk je dat ik je wil vergiftigen?’
‘Wat is het?’
  ‘Sprit’. Hij gooide de fles met een los gebaar in haar schoot. ‘Maar geen zorgen, ik heb het zelf al geprobeerd, je gaat er niet aan dood.’
De dop ging er moeizaam vanaf.
‘Niet meer dan drie slokken, als ik jou was.’
  Ze rook aan de kruik, maar rook slechts vaag de geur van alcohol. ‘Is het sterk?’
  ‘Sterk?’ hij lachte. Zijn gezicht kreeg een mooie vorm als hij dat deed. ‘Het is een wolf in schaapskleren.’
  Omdat ze geen watje wilde zijn bracht ze de fles naar haar mond. Het spul brandde op haar tong, maar niet zo erg als ze gevreesd had. Haastig slikte ze. Zodra het door haar keel spoelde, sloeg de hitte toe. Ze nam nog een slok, dankbaar voor alles dat die vreselijke kou verdreef.
  ‘Genoeg, uk.’ Hij boog voorover om de fles uit haar onwillige handen te nemen. ‘Je hoeft niet aan alcoholvergiftiging te bezwijken.’
  Geschrokken vroeg ze: ‘Kan dat?’
  ‘Niet van een paar slokken.’ Hij drukte de dop weer op de flessenhals en borg de fles in de tas.
  Stina trok haar benen op, zodat ze haar armen om haar knieën kon slaan. ‘Ik heet echt niet Uk.’
  De man draaide nog wat aan de verwarmingsknop, waardoor nog meer knallen door de buizen gingen. ‘Ik heb ooit eens een hond gehad,’ zei hij. ‘Het was een paar winters na de ramp. Hij zat met een poot onder een autowrak en er lag een meter sneeuw. Ik haalde hem daar vandaan en hield hem bij me tot hij omkwam in een ongeluk. Het was een joekel van een herdershond, maar ik noemde hem altijd Uk.’
  ‘O.’ Ze kroop nog dichter tegen de verwarming aan. ‘Heb je misschien wat te eten?’
  ‘Heb je vandaag geen eten gehad?’
  ‘Hm. Vanochtend. Nee, vanmiddag. Ik weet niet hoe laat het was.’
  ‘Ben je een zwerver?’
  ‘Natuurlijk niet. Ik reis alleen.’
  ‘Aha.’ Hij gaf de zak aan haar. ‘Vooruit dan. Straathondje.’
  ‘Ik ben geen hond.’ In de zak zaten een paar broden. Een beetje droog, het rook ook muf. Maar al had er schimmel op gezeten, dan nog was ze erop aangevallen. 
  ‘Nee, geen hond,’ zei hij ondertussen rustig. ‘Je bent een ondankbaar, dom meisje.’
  ‘Ik ben ook niet ondankbaar.’
  Hij ging op het bed zitten met gekruiste benen. ‘Echt niet? Wat doe je dan als een verlepte bloem op straat terwijl ik die moeite nam om je leven te redden?’
  Ze bleef stil.
  ‘Er zaten vijf kogels in die revolver. Eén heb ik gebruikt om dat ding in handen te krijgen. Een tweede om jouw hachje te redden. Nu heb ik er nog maar drie.’
‘Wil je dat ik twee kogels voor je steel?’ vroeg ze, nadat ze met wat moeite de droge hap doorslikte. ‘Om het goed te maken?’
  ‘Kind,’ zei hij, ‘je bent niet goed wijs.’
   ‘Jawel hoor. Twee kogels maar. Ik heb ook al een mes gestolen. Hoe moeilijk kan het zijn?’
   ‘Grappig. Ik heb gezien hoe goed je bent in diefje spelen.’
   ‘Oké, dan niet.’
   ‘Ik heb geen tijd voor spelletjes.’
   ‘Ik zei toch oké!’
   ‘Dat je het weet.’ Hij stond op om door een spleet tussen de planken voor het raam naar buiten te gluren.
     Het was behoorlijk warm in de kamer geworden. Stina voelde hoe zwaar haar oogleden waren geworden. Ze dacht dat de alcohol daar wel aan bijdroeg.  
   De man zei: ‘De vloer is niet zo zacht, maar wat mij betreft kun je vannacht bij de kachel blijven.’
   ‘Vannacht?’ vroeg ze wantrouwend.
    ‘Dacht je dat ik je alleen binnen heb gehaald om je drie slokken sprit te voeren?’ antwoordde hij.
      Stina keek naar deur van de kamer. Er zat een slot op - had hij dat omgedraaid? Ze had niet gezien dat hij een sleutel had, maar wie weet had hij het stilletjes gedaan. Het kippenvel op haar armen kwam terug, samen met het gevoel van angst dat ze had gehad toen de drie mannen haar ingesloten hadden. Dat hij haar van hen bevrijd had, betekende niet dat zijn intenties nobel waren. Nobel was een uitgestorven woord.
Hij had haar vast en zeker zien kijken. ‘Wat nu weer?’
Stina voelde naar het broodmes dat nog tussen haar riem stak. ‘Wat zit er voor jou in?’
‘Pardon?’
  ‘Misschien ben je niet zo vies dat je het buiten op straat doet, maar -’
  ‘Mijn hemel, kind!’ Hij stak zijn handen omhoog. ‘Ik ben onschuldig hoor.’
   Ze keek van hem naar de deur en weer terug.
   Hij hurkte voor haar neer. ‘Je bent vies,’ zei hij. ‘Je stinkt. Dat vind ik allebei niet echt aantrekkelijk. Als jij zo nodig die deur uit wil lopen, dan zal ik je niet stoppen. Denk je echt dat ik geïnteresseerd ben in een half verwilderd kind? Doe me een lol.’
  Haar vingers lieten het mes los terwijl ze rood werd. ‘Ik ben geen kind meer.’
  De man glimlachte. Voor hij opstond, gaf hij haar een klopje op haar hoofd, waardoor ze in elkaar dook.
  ‘Wees maar blij dat ik je als een kind zie, en niet als een makkelijke prooi. En nu houd je je mond, want ik wil slapen.’
  Terstond knipte hij het licht uit. De smalle kamer werd een zwart gat, als de bodem van de oceaan, alleen warmer.
Stina rolde zich op tegen de verwarming, zo ver mogelijk van waar ze hem hoorde bewegen en even later het kraken van de matras. Het keukenmes hield ze naast zich.



Ze werd wakker van het felle peertje dat aanschoot. De kachel was lauw geworden, maar in de kamer was de warmte blijven hangen.
Haar gastheer was helemaal aangekleed. Ze wist niet of hij al lang op was, of dat hij met kleren had geslapen - ze wilde het niet weten ook.
  ‘Goedemorgen, straathondje,’ zei hij. Hij stapte over haar heen, keek met opgetrokken wenkbrauwen naar het mes dat in haar slaap ergens midden in de kamer terecht was gekomen. ‘Ik zie dat je mijn advies in elk geval ter harte hebt genomen.’
‘Veel geholpen heeft het niet,’ mompelde Stina terwijl ze rechtop ging zitten. Ze strekte haar armen.
‘Wacht maar tot je het echt moet gebruiken. Dan merk je het wel.’
‘Of niet.’
‘Tja. Dan ben je dood.’
‘Je gaat hier aan alles dood, maar niet altijd door criminelen,’ zei ze snibbig. Haar maag rommelde onrustig.
‘Ochtendhumeur? In elk geval moet je maar voor jezelf leren zorgen.’
‘Zeg niet alsof dat makkelijk is.’
‘Ik zeg niet dat het gemakkelijk is.’ Hij pakte zijn tas en controleerde een paar momenten zwijgend de inhoud. ‘Je kunt altijd naar een weeshuis gaan, weet je.’
  ‘Ik laat me niet opsluiten!’
  Hij grinnikte. ‘Groot gelijk.’
  Ze bleef haar blik op zijn tas houden, hopend dat hij snel iets tevoorschijn zou halen. In plaats daarvan trok hij het rijgkoord aan en legde er een knoop in. ‘Zo. Ready to go.’
  ‘Wat?’ vroeg ze. ‘Geen ontbijt?’
  Hij keek haar aan. ‘Moet ik je ’s ochtends ook nog voeren?’
  Iets anders dan ‘Ontbijt is de belangrijkste maaltijd van de dag,’ kon ze niet bedenken. Wellicht had hij gelijk: had ze niet al genoeg gebedeld?
‘Zo lang mogelijk leven is belangrijker.’
   ‘O.’ Ze keek naar de vloer. Er zaten spikkels op de houten planken. Allemaal stof en geplette insecten. En daar had zij op gelegen. Bah. ‘Waar ga je eigenlijk heen?’
  ‘Dat zijn jouw zaken niet, of wel?’
Ze haalde twee handen door haar haren, waardoor de klitten werden losgetrokken. Gelijk vielen de voorste plukken weer voor haar ogen. ‘Moet ik aangifte doen als ik aangevallen word?’
  ‘Wat?’
  ‘Weet ik veel, bij Zorgbeheer of zo. Er liggen twee lijken in de stad. Misschien dat ze wat beter gaan beveiligen als ik aangifte doe.’
  Hij maakte een spottend geluid. ‘Da’s het OBRM waar je dan zijn moet. Veel succes.’
  ‘Openbaar beroepsrechtelijk ministerie? Zitten die hier dan?’
  ‘Die zitten overal waar je ze niet wilt hebben.’
   ‘Je wilt zeker niet even meegaan?’
   Hij gaf haar een spottende blik. ‘Heb ik niet al genoeg voor je gedaan? Niets in de wereld kan me dwingen mijn gezicht bij Fenix te laten zien.’
   Teleurgesteld stond ze op. Haar knieën waren pijnlijk. Waarschijnlijk had ze ook een paar blauwe blekken van het slapen op de grond. Ze wreef over de gewrichten.  ‘Dat snap ik niet. Fenix zorgt mooi wel voor licht en warmte.’
  ‘O ja? Jij wilt toch ook niet dat ze je opsluiten? Of is dat niet de reden dat je me mee wilt hebben? Je weet dat ze je zullen herkennen als een wees.’ Hij glimlachte.
   ‘En jij wilt niet omdat je nu een moordenaar bent, zeker.’
  De glimlach verdween meteen. ‘Wat zei je?’
  Ze zocht met haar ogen naar het vlindermes of de revolver. Die moest hij toch nog bij zich hebben? In elk geval waren ze goed verstopt.
‘Niemand van Fenix weet toch dat jij die twee mannen hebt gedood,’ zei ze schouderophalend.
Hij bleef even stil. Met zijn voet tikte hij tegen de grond. ‘Hoe heet je?’
  ‘Ik? Stina.’
  ‘Luister Stina; een meisje zoals jij heeft niks te zoeken bij iemand zoals ik. Trouwens, dat geldt andersom ook.’
   ‘O, sorry hoor! Ik vraag al niks meer.’
    ‘Dat denk je maar. Ik kan al zien waar dit naartoe gaat, maar vriendelijk bedankt. Jij hebt misschien problemen, maar die zijn niets vergeleken met de problemen die je krijgt als je mij aanziet voor je reddende engel.’ Hij opende de deur, die inderdaad niet op slot zat. ‘Dus rot op.’
  Ze stak beledigd het mes bij zich, liep met grote stappen de kamer uit, totdat ze vlak over de drempel stil bleef staan. Dag warme kamer, dag revolver en vlindermes, dag voedsel en drank…
Ze draaide zich om, gaf hem haar meest lieve blik. ‘Mag ik met je mee?’
  Hij trok de deur met een klap dicht. Daarna duwde hij haar verder de gang op. ‘Nee.’
  ‘Ik zal niet lastig zijn!’
  ‘Je bent het toch wel.’
  ‘Voor even maar - niet langer dan vandaag?’
  ‘Heb ik lijm op mijn kleren, Stina?’
  ‘Huh?’
Ondertussen duwde hij haar verder de smalle gang in. ‘Geen reden om aan me te plakken, dus.’

   ‘Maar -’ Het idee dat ze opnieuw in haar eentje de vijandigheid van het klimaat en de mensen moest trotseren, joeg haar angst aan. ‘Als…als je me hier achterlaat, vertel ik iedereen dat je een dubbele moord hebt gepleegd in die steeg!’
  Ze stonden voor de trap naar beneden. Het duwen hield op. Ze keerde zich naar hem om. ‘Dan zit Fenix meteen op je hielen…Ja toch?’
  Zijn hand verdween even in een plooi van zijn kleren, kwam daarna tevoorschijn met het vlindermes. Het had twee handvatten, maar hij had het met één klik open. Sneller dan zij hem uit de weg kon gaan, drukte hij het mesblad tegen haar keel. Stina moest de leuning grijpen om niet van de trap te vallen.
   ‘Als je het allemaal zo goed weet,’ zei hij zonder zijn stem te verheffen, ‘wat weerhoudt me er dan van om jou ook de keel door te snijden?’
   Ze kromp ineen, probeerde toen opzij of naar achteren te duiken. Hij duwde haar verder naar achteren, waardoor ze bijna boven de trap balanceerde.
   ‘Sta stil of je breekt je nek.’
   ‘Sorry’ piepte ze. ‘Niet doen! Ik wilde je niet beledigen -’
   ‘Ik kan ook je tong af snijden als dat ding zo’n gevaar voor je is.’
   ‘Niet doen, alsjeblieft…’ Ze dacht dat ze bloed voelde opwellen in de holte van haar nek. Haar hart bonkte heftig. ‘Je hebt deze kamer gehuurd en…En de eigenaar zag ons beiden naar boven gaan!’
   ‘De eigenaar denkt dat ik een hoertje mee heb genomen.’
    ‘Maar als hij mij straks dood aantreft, terwijl jij bent weggegaan!’
    ‘O, jij denkt weer aan dat heldhaftige OBRM? Wie geeft er nou genoeg om straathoertjes om dat aan te geven voor moord?’
    ‘Weet ik niet!’ Haar ogen begonnen te tranen.
   ‘Geen barst geven ze erom.’ Hij pakte haar beet en trok haar ruw van het trapgat weg.
    Stina wreef over haar ogen. Toen keek ze scheel naar het wapen. Ze vroeg: ‘Wil je het erop wagen?’
    Hij leek haar blik te volgen. ‘Verdomme,’ zei hij plotseling. ‘Bloedvlekken.’
   Met een klik aten twee handvatten het lemmet op. Hij stopte het terug onder zijn kleren. ‘Dus jij vindt echt dat ik me moet laten chanteren door een straatpup?’
   Stina deed haar best om haar gezicht blanco te houden. Eigenlijk had  ze maar wat gezegd - wist zij veel dat het zoveel indruk zou maken! Schaamde hij zich er nou zo voor? Het was maar wat tuig geweest, geen ministers. Als niemand zich druk maakte om straathoertjes, waarom dan wel om zulke mannen?
    Hij zuchtte alsof hij geen slaap had gehad. ‘Je hebt geen idee waar je je mee inlaat.’
    Dat was waarschijnlijk waar. Ze glimlachte. Jonathan had het op haar dertiende een “brede kikkerlach” genoemd en zelf hartelijk geschaterd. Sindsdien probeerde ze zo weinig mogelijk te lachen, alleen bij bijzondere gelegenheden. ‘Maar ik weet één ding wel: je bent toch een moordenaar?’
   ‘Alleen omdat ik twee vandalen uit de weg heb geruimd?’
  Ze dacht niet dat hij nog eens dat mes tevoorschijn zou trekken, of haar met een geweerschot van de trap af zou laten vliegen. Met meer zelfvertrouwen antwoordde ze: ‘Ze zijn toch allebei dood, of niet.’
  ‘Natuurlijk.’ Hij leek ongemakkelijk, al was dat lastig te zien. Hier op de hal was geen enkel raam, dus het weinige licht kwam van beneden. ‘Dus dat maakt me een moordenaar?’
‘Met de wapens die jij bij je draagt wel.’
‘En dan nog? Dat zou je niet zo ongezond blij moeten maken.’
  ‘Waarom niet? Je hebt me beschermd!’
  ‘Godallemachtig.’ Hij wreef over zijn voorhoofd. ‘Ik had je in die steeg aan je lot over moeten laten.’
  ‘Nou, dan had je dat lekker moeten doen.’ Stina sloeg haar armen opstandig over elkaar heen. ‘Dan was je nu van mijn gezeur af geweest.’
  ‘Goed opgemerkt.’ De man gaf een tikje tegen haar hoofd. ‘Nou, schiet op. Ik wil hier niet de hele dag blijven staan.’
  Gehoorzaam liep ze naar beneden, maar vroeg wel: ‘Was dat een ja?’
  Weer een zucht in de schemer achter haar. ‘Já. Maar drie voorwaarden Eén: je stelt geen vragen. Twee: je doet wat ik zeg. Drie: zodra je weg moet, ga je weg. Begrepen?’
   Stina grijnsde zonder dat hij het kon zien. ‘Gotcha!’
 
De man rekende af. Stina zag een glimp van een vijftig euro biljet. Ze vroeg zich af waarom hij zoveel geld had en toch in zo’n donker hotel zat. Zodra ze buiten waren en de straat uitliepen, vroeg ze ernaar.
  Hij duwde de zak, die zij over zijn schouder had gedragen, in haar armen. ‘Wat was voorwaarde nummer één?’
  ‘Geen vragen. Waarom moet ik die dragen?’
   ‘Jij wilt mee. Maak jezelf nuttig.’
   ‘Waar gaan we heen?’
   ‘Géén vragen, zei ik.’
   ‘Nou zeg.’ Het viel haar op dat het ijs van vannacht op de plassen was blijven liggen, waardoor er overal kleine glijbaantjes waren ontstaan. ‘Nog één vraag dan.’
   ‘Nee.’
   ‘Maar ik moet toch weten hoe je heet!’ Gespannen keek ze naar zijn gezicht.  
   ‘Je mag Edward zeggen.’
    Aha, mag zeggen. Maar hij moest niet denken dat ze die geheimtaal niet sprak. Ze kende dat soort boeken. ‘Wat is dat nou voor een naam?’ Misschien dat ze hem kon uitdagen.
  Tot haar teleurstelling haalde hij slechts zijn schouders op. ‘Weet ik veel. Hij bestaat.’
  ‘Heb je geen achternaam, Edward?’
   ‘Er is een grens,’ snauwde hij. ‘Nog één vraag en ik verander van gedachten.’
   ‘Al goed. Edward Naamloos.’
   Hij wierp haar een blik toe. ‘Je hebt wel praatjes gekregen, hè?’
  Daar wist ze geen antwoord op te geven, dus zei ze maar niets.
  ‘Luister,’ zei hij en stond stil. ‘Als blijkt dat je verslaafd bent, dan ditch ik je direct aan de kant van de weg.’
  Ze bleef ook staan ‘Verslaafd?’
   ‘Glow, speed - het kan me niet schelen wat voor drugs. Ik neem geen junk op sleeptouw.’
   ‘Gadverdamme,’ zei Stina. Ze liep door. Hij volgde, maar ze kon aan zijn gezicht zien dat hij haar niet vertrouwde. ‘Niet iedereen is verslaafd, meneer drink-maar-sprit-je-gaat-niet-dood.’
   ‘Kun je me dan uitleggen waarom je zonder geld en bescherming over straat dwaalt? In de winter, godbetert.’
   ‘Nee. Ik zei al: ik reis gewoon.’
   ‘Je reist…’
   ‘Ja.’
   ‘Juist.’
   ‘En wat is daar mis mee? Wil jij soms je hele leven op dezelfde plek vastroesten? Zonder de wereld te ontdekken?’
  Vanuit haar ogen zag ze hem even glimlachen. ‘De wéreld, ja hoor. Je bedoelt dit zielige hoopje rots dat is blijven drijven.’
    ‘Dat is mijn wereld.’
    ‘Natuurlijk.’ Hij gaf haar een klopje op haar schouder, waar ze van schrok. ‘Je hoeft niet zo beledigd te kijken. Niemand zal het je kwalijk nemen dat je niet beter weet.’
  ‘Jij wel zeker.’
  ‘Niet echt, hè? Wij zijn immers de eerste generatie die opgroeit in de nieuwe wereld. De generatie van hoop, of zo. Of noemen ze dat tegenwoordig al niet meer zo? Die van deze puinzooi definitief iets moet maken voor het nageslacht. Onze voorvaderen dachten aan een toekomst die gebouwd zou zijn op technisch vernuft en supercomputers, maar wat wij hebben overgehouden is troep.’
  ‘O.’
  Hij begon sneller te lopen. ‘Ach, sorry. Een kind is natuurlijk te klein om dat te begrijpen.’
  ‘Ik ben geen kind!’
‘O nee? Hoe oud ben je dan?’
  Stina slingerde de zak die ze eerst in haar armen had gedragen, over haar schouder. ‘Geen vragen, toch?’
  ‘Maar je zou ook doen wat ik zei.’
  ‘En dat is?’
  ‘Antwoord geven.’
  ‘Fuck off. Ik ben honderd, nou goed?’
  ‘Dat is goed.’

Zwijgend liepen ze verder. Hij met zijn handen diep in zijn zakken. Zij met opgetrokken schouders tegen de wind. Het was maar goed dat hij snel liep. Door dit tempo aan te houden, bleef ze een beetje warm. Dag Jonathan, dacht ze. Ik hoop dat je me nooit meer ziet, want ik weet dat je me niet kunt vergeven als je de waarheid wist. Je wilt vast weten of het goed met me gaat. Eerlijk gezegd weet ik niet waar ik in beland ben, maar het is vast beter dan waar ik mezelf net uitgehaald heb. Wees maar niet bang. Jij bent de beste van ons twee. Als mam en pap ergens over ons waken, dan doen ze dat speciaal over jou.
  In gedachten verzond ze de brief over de Archipel. Ze hoopte dat haar broer hem opving.