Ik houd mijn ogen strak op de kleine vlam van de kaars gericht. Buiten klappert het gescheurde tentzeil. Het klappert al de hele nacht. Ieder van ons zal met dat naargeestige geluid in zijn oren sterven.
Ik heb geen zin om hun blikken te ontmoeten. Het zou nauwelijks de moeite waard zijn; als een spiegel reflecteren die verwrongen gezichten het mijne.
Onze deur, die bestaat uit een paar haastig bij elkaar getimmerde planken, kreunt alsof het een levend wezen is dat gebukt gaat onder een te zware last. Al een paar keer zijn we opgeschrikt door geluiden van buiten. Krijsen of steunen - dat is moeilijk te zeggen. Charrière houdt vol dat we enkel de wind horen. Grauwend in zijn eigen dialect heeft hij ons al duidelijk gemaakt dat het voor hem in elk geval niet de eerste keer is dat hij de verlaten vlakte van Svalbard aandoet. De vorige keer had hij geluk gehad. Het kleine percentage dat de tweejaarlijkse “expedities zonder thuiskomst” overleven, houden het gewoonlijk niet lang uit. Als ze de koude en de constante ijswind al weten te trotseren, vallen ze binnen enkele dagen wel ten prooi aan een hevig verlangen naar zelfmoord. Of ijsberen. Charrière wist dit alles te overwinnen, kwam sneeuwblind en onderkoeld strompelend aan in Ny-Ålesund, waar men hem hield voor een verdwaald lid van het Arctisch Instituut. De man was nooit zo dom geweest om dit tegen te spreken. Hij had God geloofd en geprezen toen hij vanuit Ny-Ålesund met haar kleine veertig inwoners via de lijndienst op Longyearbyen landde. O, wat moest het lot hem goedgezind zijn geweest. Ik hoef hem niet te vragen of zijn godsvruchtigheid lang aan heeft gehouden. ‘Daar zit je weer, man,’ had ik wel willen zeggen, in een poging zelfs hem de humor in deze ironie bij te brengen. Net op tijd wist ik me ervan te weerhouden.
De kaarsvlam flikkert onrustig. Even raak ik in een kinderachtige paniek dat hij uit zal gaan en ons alleen laat met de nacht en de storm. Dan verman ik me. Langzaam strek ik mijn stijve vingers - buig en strek, buig en strek. Dat ik de kou nog kan voelen is eigenlijk een zegen.
Een plotseling luid gekraak rukt me uit mijn mijmeringen. Het is alsof een geest zich tegen mijn lichaam aandrukt en met onzichtbare handen onder mijn kleding tast. Een plank is uit de deur gebeukt door de kracht van de wind. Wat ik voel is geen spook maar slechts de storm die een weg naar binnen heeft gevonden.
Olsen staat op. Zijn gezicht is grauw en zijn handen zitten vol bloederige korsten. Hij probeert het stuk hout weer tussen de rest te klemmen. Het heeft geen zin. Hij vloekt, gaat weer zitten.
‘Fuck,’ vloekt Charrière. ‘Ik heb het zo koud dat ik m’n eigen lul niet meer voel zitten.’
‘Heb je geprobeerd te pissen,’ grijnslacht Olsen krampachtig. ‘Het bevriest voordat het de grond raakt.’
‘Hou je kop,’ komt het antwoord. ‘Wat mij betreft vriest jouw lul zo hard dat-ie eraf valt.’
Olsens gezicht betrekt zo mogelijk nog meer. Hij maakt een obsceen gebaar. Dan wendt hij zich tot mij. ‘Rosen. Waar is die fles?’
Ik duw met de neus van mijn schoen tegen de groenglazen fles aan, die omvalt en naar hem toerolt. ‘Charrière heeft gelijk,’ zeg ik hem ondertussen. ‘Ik moet niets hebben van jouw soort. De fles is leeg. Ik hoop dat jij als eerste doodvriest, misschien kunnen wij dan nog een paar dagen leven van jouw vlees.’
Olsen onbloot zijn tanden. Zijn gebit is slecht onderhouden. Ik moet er niet aan denken dat hij die smoel tegen de lippen van zijn slachtoffers drukt. ‘Hark who’s talking, Jack the Ripper. Daar kick je zeker wel op, hè? Dat mes van je in ons vlees steken?’
Ik grijns naar hem. ‘Maak je niet druk. Ik lust je niet eens. Morgen of overmorgen zie ik je in de hel. Dan kijken we wel verder.’
‘De diepste kringen van de hel zijn gereserveerd voor verraders en muiteniers,’ pareert Olsen. Hij blikt scheel naar Charrière. ‘Wie zei dat nou?’
‘Jack fucking Sparrow,’ spot ik. ‘Is dat het laatste restje beschaving dat je hebt meegekregen?’
Charrière spuugt naar me. Hij raakt me net niet. Ik wend mijn blik weer af en tuur naar de kaars en de afgebrande lucifershoutjes die eromheen liggen. De laatste is op de grond gevallen.
‘Je hebt toch altijd al ijsberen willen zien,’ zijn de laatste woorden die hij me voor de voeten werpt voordat ik hem nooit meer zie. Zelfs mijn beste - mijn enige - vriend keert zich vol walging van me af. Vroeg of laat was hij er toch achter gekomen, troost ik mezelf. Maar had hij dan niet zoiets kunnen zeggen als “dit is je verdiende loon” of: “ik ben diep teleurgesteld”? Dit is wel erg cru.
In een cel van minder dan één bij één zit ik de laatste paar dagen van mijn opsluiting uit. De muren zijn grijs en kaal. Hoeveel mannen hebben hier voor mij gezeten? Niet genoeg om een blijvende indruk achter te laten, in elk geval. Nog lang niet genoeg.
‘Hoe laat is het?’ vraagt Olsen.
Ik rol met mijn ogen. ‘Tijd voor je middagdutje.’
‘Stik erin.’ Hij staat op, duwt ruw de deur open en beent naar buiten. ‘Klootzak,’ hoor ik hem nog sissen.
Wat hij van plan is mag Joost weten. Misschien verkiest hij het om alleen, in afzondering, dood te vriezen en niet in het vuil en de stank van zijn mede-gevangenen. Ik kan het hem niet kwalijk nemen.
‘Wat deed jij de vorige keer, Charrière?’ vraag ik. ‘Je moet toch iets opgestoken hebben van je Arctische ervaring?’
De man tegenover me gromt. ‘Geluk hebben.’
‘Wist je dat er op de Spitsbergen geen belasting geheven wordt op drank?’ vraagt Mattis Tornquist, advocaat in dienst van yours truly. Hij slaat me spottend op de schouder. ‘Heb je geluk mee, man.’
‘Het kan me geen ruk schelen, kwal,’ antwoord ik. ‘Je hoort me te verdedigen en dan laat je dit gebeuren?’
‘Rechtvaardigheid moet er zijn, Rosen.’
De deur vliegt open. Olsen staat met zijn handen aan weerszijden van de primitieve deurpost. Hij hijgt. Het ziet eruit als een scène in een horrorfilm voor tieners. ‘Er staat een man buiten.’
Dat trekt onze aandacht. Mijn eerste reactie is er een van opluchting. Charrière en ik zijn allebei opgestaan. Het moet een medewerker van Friomsorg zijn - ik zou hem in mijn armen sluiten als een broeder en zweren dat ik de rest van mijn leven braaf stenen zal houwen in het kamp.
‘Is het een van die klootzakken?’ wil Charrière ook weten.
‘Ik denk het niet, man.’ Olsen komt binnen en sluit de halve deur. ‘Hij ziet eruit als een…’
Ik trek mijn wenkbrauwen op. ‘Als wat?’
‘Een fucking zwerver,’ grinnikt Olsen. ‘Zullen we hem binnenvragen en hem een slaapplaats bieden? Het is tenslotte kerstnacht.’
Charrière en ik zwijgen.
Het is verdomme alsof we een stelletje Joden zijn, hoor ik iemand al herhaaldelijk zeggen. Verdomme alsof we door de Nazi’s zijn opgepakt. Als verdomde varkerns. Verdomd slachtvee. Godverdomme.
Ik denk eerder dat het andersom is - God verdomd óns. En we zijn slachtvee.
De trein schokt en schommelt en ik stoot met mijn elleboog in de maag van iemand die achter me staat.
‘Klootzak, hou je fikken thuis,’ lokt dat uit.
‘Als jij niet in mijn nek hijgt,’ snauw ik terug. Het stinkt aan alle kanten. Niet alleen naar ongewassen lichamen en vuile kleren, maar ook naar angst. Naar misdadigers die op een kluitje op elkaar zitten.
‘Wees niet zo godverdomde bijdehand.’
‘Bek dicht,’ val ik uit. Ik kan me nauwelijks naar hem omdraaien, maar toch probeer ik het. Ik staar half in het verweerde, magere gezicht van een man van middelbare leeftijd. Hij heeft een slecht gebit. Een paar tanden ontbreken. ‘Laat God erbuiten.’
Hij grijnst. ‘Ben je een reli?’
‘Een wát?’
‘Een reli. Een godsdienstfanaat. Lekker bekeerd in de gevangenis, toch?’
‘Praat geen onzin,’ mompel ik terug.
Zodra Olsen langs me loopt om weer op zijn vaste plaatsje in ons krot neer te ploffen gaat er een windvlaag op. De kaarsvlam hapert, trilt alsof het een vlindervleugel is en dooft dan uit. De kleine gouden gloed die er al die tijd was, verdwijnt op slag. Een moment zijn we allemaal stil.
‘Fuck,’ loeit Charrière dan. ‘Fuck, fuck, fuck! Dat was de laatste lucifer!’ Hij springt op, grijpt Olsen bij zijn leurven en trekt hem ruw overeind. ‘Vuile verkrachter!’
Ikzelf kijk alleen maar verslagen naar het zielige stompje kaars dat half kromgebogen op de grond staat. We hadden hem in een opgehoopte sneeuwtaart gezet. Heel even had het me herinnert aan de verjaardag van een kind. Eén kaarsje, één levensjaar.
Dan klinkt er een zacht gerucht buiten onze schuilplaats. Het volgende moment stapt een man naar binnen. Ook hij ziet bleek van de kou. Zijn schouders zijn opgetrokken, zodat hij zich zoveel mogelijk kan verschuilen in de schamele kleren die hij aanheeft. Charrière laat Olsen los. Met z’n allen staren we de indringer aan. Hij kijkt terug, zonder zich te verroeren.
‘Zo, vriend,’ zeg ik tenslotte. ‘Ook ontsnapt?’
De man glimlacht een opvallend serene glimlach voor iemand die nog langer dan wij heeft rondgedoold in een sneeuwstorm. ‘Ik zag jullie licht van buiten.’
‘Dan heb je geluk gehad,’ grinnik ik, terwijl ik opschuif om plaats voor hem te maken. ‘Deze ezel hier heeft net onze laatste vlam vermoord.’
Olsen heeft de bescheidenheid om naar de grond te kijken, maar de nieuwe gast haalt slechts zijn schouders op.
‘Nou, ga zitten vent.’ Ik knik naar de lege plaats naast mij. ‘Tenzij je staand ten onder wilt gaan.’
Met een vermoeide zucht laat hij zich op de grond zakken. Even vertrekt zijn gezicht. Olsen laat een suf gegrinnik horen. ‘Even koud aan je reet, hè? Maak je maar geen zorgen hoor, na een tijdje voel je dat ook niet meer.’
‘Hoe heet je?’ vraag ik, Olsen negerend.
De man kijkt me even aan, terwijl hij ondertussen zijn handen over elkaar wrijft tegen de kou. ‘Herken je me niet?’
Ik bestudeer zijn gezicht met half-samengeknepen ogen. Baard. Donkere ogen, verwilderd haar door de storm. Een ietwat grote neus. Toch, niet een bijzonder opvallend gezicht. Niet lang, niet kort, niet dik en niet dun. Ik moet toegeven dat hij desondanks een zweem van herkenning in me opwerkt. Ik kan er mijn vinger niet opleggen. ‘Moet ik je kennen?’ Ik staar hem nog eens aan. ‘Uit Ilafengsel of zo?’
‘Ik ben geen gedetineerde,’ antwoordt hij en blaast weer op zijn vingers.
‘Dan zit je hier zeker voor je lol,’ snauw ik. ‘Wat jij wilt, vriend. Heb je tenminste een naam? Ik hou niet van onbekenden.’
‘Ik ook niet,’ geeft de ander toe. Hij steekt me zijn koude hand toe. Ik aarzel, maar pak hem dan aan. ‘Ola Rosen. Moordenaar.’ Ik grijns, afwachtend zijn reactie.
Hij verblikt of verbloost niet. ‘Joshua ben Joseph. Timmerman.’
‘Godallemachtig, waar kom jij vandaan?’ lacht Olsen ruw. ‘Irak zeker? Ben je een Taliban of zoiets?’
‘Néé,’ is het vastbesloten antwoord.
‘Hij heet toch geen Ali?’ zegt Charrière. ‘Kijk dan naar die enorme neus. Die kerel is een Jood.’
Tot mijn verbazing glimlacht de man. ‘Ik heb niet de behoefte om mezelf voor jullie verborgen te houden.’
‘Fijn, dan niet,’ mompelt Olsen. ‘Ga je gezellig samen met ons dood. Join the club.’
‘Waarom bieden jullie me geen eten en drinken aan?’ vraagt de man met zijn onmogelijke naam. ‘Ben ik niet jullie gast?’
Dit schiet Olsen in het verkeerde keelgat. Ik zie gewoon vanaf hier hoe zijn handen jeuken om die om ’s mans keel te leggen. ‘Moet je eens horen, Josh, Joost, Jozef, whatever je naam ook is - kijk eens goed uit je doppen en zeg me wat je ziet. IJs, sneeuw, hout, tentzijl en één uitgedoofde kaars. Ga je gang en vreet je vol aan sneeuw, daar hebben we hier toch te veel van. Of vraag onze vriend Rosen hier of hij een stukje van je arm afhakt. Lekker om te kluiven.’
Charrière lacht.
‘Sigurd Olsen,’ zegt de vloekende kerel. ‘Ik geef je geen hand want dat wil ik niet. En jij?’
‘Ik wil het ook niet,’ antwoord ik en probeer hem te negeren. Een blaffend gelach weerhoudt me ervan. ‘Ik bedoel hoe je héét, motherfucker.’
‘O, bedoel je dat…’ De man stinkt. Maar ik kan me voorstellen dat ik dezelfde riekende geur afgeef. ‘Ola Rosen. Niet geïnteresseerd.’
‘Wat een mooie naam,’ mijmert Olsen terwijl een venijnige hobbel ons dichter tegen elkaar aandrukt dan me lief is. ‘Mama’s lieve kindje, zeker?’
‘Dat zal wel,’ mompel ik walgend. ‘Ik had het graag geweten.’
‘Roosje mijn roosje. Dit is mijn beste maat - Charrière. Hij komt uit Frankrijk.’
Onwillig kijk ik toch om en zie de man die hij bedoelt. Een grote kerel, breedgebouwd en met een gezicht vol stoppels en littekens. ‘Ik ben jouw maat op de dag dat er palmbomen in de hel groeien, Olsen,’ snauwt hij met een afschuwelijk accent.
God, waar ben ik mee opgescheept, denk ik nog, voordat de wereld op zijn kop komt te staan en de hel van Charrière wel heel dichtbij komt.
‘God, waar zijn we nu mee opgescheept,’ roept Olsen uit. Ik kijk op en zie hem vol walging naar Joshua ben Dinges naast mij kijken. ‘De kerel is delusional, mensen.’
‘Geef me gewoon een handje sneeuw,’ zegt de man op een toon alsof hij het voor de tweede maal vraagt. Ik voel hoe de kou me langzamerhand sloom begint te maken. Het liefste wil ik slapen. Ik weet dat ik nooit meer wakker zal worden.
‘Als je sneeuw wilt pak je dat zelf maar,’ spuugt Olsen. ‘Wie denk je wel niet dat je bent. Gek.’
‘Dat is een interessante vraag,’ glimlacht de man irritant rustig. ‘Ik ben blij dat iemand het me eens rechtstreeks vraagt in plaats van maar wat in het wilde weg te gissen.’
‘Sorry - wat?’
‘Ik zal je antwoord geven op je vraag. Vraag me wie ik ben.’
‘En wat zeg je dan?’ Olsen kijkt hem loensend aan. ‘Je praat alleen maar bullshit.’
‘Alsjeblieft.’ De man kijkt Olsen bijna smekend aan, maar Olsen wendt zich minzaam af. Ik voel medelijden met onze “gast”. Hij is duidelijk verdwaald. ‘Wie ben je?’ vraag ik hem, alsof hij een klein kind is dat tevreden gehouden moet worden.
‘Onder jullie beter bekend als Jezus.’ Zegt hij. Zonder te verblozen. Zonder zelfs met zijn ogen te knipperen. Zelfs in mijn verdoofde toestand dringt de absurditeit van de situatie tot me door. ‘Jezus?’ herhaal ik langzaam. ‘Als in, Jezus van Nazareth?’
‘Fuck,’ hoor ik Charrière zeggen. ‘Ben je stoned, man?’
Ik voel een hand op mijn schouder. ‘Je bent verkleumd.’
‘Vind je het gek,’ probeer ik gevat op te merken, maar mijn lippen zijn zo koud dat het bewegen van mijn mond pijn begint te doen.
‘Alsjeblieft,’ zegt de jezusman weer. ‘Doe nou eens wat ik vraag. Geef me eens een handje sneeuw.’
‘Al goed,’ mompel ik, met een vaag handgebaar en hijs me omhoog. De deur is nooit meer goed gesloten dus ik wankel zo de koude nacht van de Spitsbergen in. De hemel boven mij is oneindig hoog en zwart. Sneeuwvlokken komen als vallende sterren in een duizelingwekkende vaart naar beneden, vliegen schuin weg op een boze windvlaag en bedekken mijn haar, mijn schouders, mijn gezicht gulzig. Even denk ik erover om door te lopen, net zo lang dit schemerige ijslandschap in, dat net zo goed een andere wereld lijkt. Net zolang stap voor stap tot ik wegvlieg of neerzink en val in de sneeuw, als dat al niet hetzelfde is. Maar ik buk en klem een handvol sneeuw tussen mijn vingers. Waar het goed voor is vraag ik me al niet meer af. Op de een of andere manier lijkt het beter dan stilzitten en nietsdoen.
Ik kom weer binnen, kijk een moment op de man neer. Dan strek ik mijn hand uit. Zwijgend.
Zijn handen sluiten zich om de mijne. Warmte. Maar dat is onmogelijk. Ik hallucineer.
Even sluit ik mijn ogen. Het duizelt me. Het volgende moment ben ik op mijn gevoelloze kont beland. Als ik opkijk zie ik hoe Jezus me aankijkt. Ik voel een stenen rand van een beker tegen mijn lippen en drink gulzig wat me naar binnen wordt gegoten. Geen idee wat het is, maar het is warm en zoet en verschrikkelijk lekker.
‘Kut,’ hoor ik de ademloze vloeken van Olsen en Charrière. ‘Wat is dat man - heeft hij - hoe komt hij aan - fuck man, fuck!’
De beker verdwijnt van mijn lippen en ik kijk om. Beide mannen staren me aan alsof ze een spook zien.
‘Nu is het wel genoeg met dat gevloek,’ zegt de man die zonet sneeuw in een beker warme drank heeft veranderd.
‘Wie de fu- wie bén jij?’
‘Lieve Sigurd Olsen, heb ik je dat niet net gezegd?’
‘Jezus zeker!’ Hij haalt luidruchtig zijn neus op. ‘Jezus bestaat niet.’
Jezus biedt hem de stenen mok aan waaruit ik zonet nog gedronken heb. ‘Dat zal dan wel. Je ziet eruit alsof je het koud hebt, Sigurd.’
‘Ik - fuck. Ja.’ Met zijn vieze handen grijpt hij naar de mok, rukt die naar zich toe en slaat hem onceremonieel naar achteren. We kijken allemaal stil toe hoe hij geniet van de warmte die hem overspoelt. ‘Jezus,’ zucht hij dan. ‘Precies wat ik nodig had.’
De vreemde man lacht zacht. ‘Geloof je het nu omdat je het ziet?’
‘Ik zeg niet dat ik je geloof,’ haast Olsen zich te zeggen. Ik zie angst in zijn ogen.
‘Nee? Waarom niet?’
‘Omdat - nou…Gatver! Wat zou -’
‘Ben je bang voor mij, Sigurd?’
Eerlijk gezegd zou ik ook bang zijn als hij mij die blik van hem schonk. Charrière heeft al die tijd geen woord meer uitgebracht, maar houdt de stenen beker nauwlettend in de gaten. Nogal plotseling draait Jezus zich naar hem om. ‘Ja, Matthieu?’
Ik zie Charrière verbleken, maar het verbaast me al nauwelijks meer. Ook de Fransman lijkt zijn wantrouwen te beheersen, want na een moment stilte wijst hij naar de beker. Jezus biedt het hem aan. ‘Maar die is leeg,’ mompelt Charrière. De ander glimlacht. ‘Het is nooit leeg, Matthieu.’
De ruwe bonk pakt de beker aan alsof het elk moment kan breken. Ik kan de inhoud vanaf hier niet zien, maar als hij die ervan achterover slaat kan ik wel raden wat voor wonder er heeft plaatsgevonden.
‘Dan nog!’ roept Olsen nogal plotseling. Hij staat te trillen op zijn benen. ‘Al spreek je de waarheid, wat doe je hier dan?’
‘Waar zou ik anders moeten zijn?’ vraagt Jezus wat verbaasd.
‘Weet ik veel,’ mompelt de ander. ‘Het leed in de wereld genezen of zoiets. Is dat niet wat je hoort te doen?’
‘Ja,’ antwoordt Jezus.
‘Ja, dan kun je ons wel drank door de keel gieten, maar wat mot je met ons, kerel?’
Jezus zucht. Misschien verbeeld ik het me, maar hij lijkt ongeduldig. ‘Wat zijn jullie toch hardleers. Wat zou ik zonder jullie moeten, hm?’
‘’t Is een gek, zei ik het je niet,’ zucht Olsen tegen niemand in het bijzonder. Ik weet het niet zo zeker. Het tintelende gevoel dat de drank in mijn lichaam teweeg had gebracht is nog niet verdwenen. Maar als hij niet gek is, is hij zeker bij het verkeerde adres beland. Charrière denkt kennelijk hetzelfde, of misschien deelt hij Olsens mening. ‘Zonder ons zou je die fucking gezuiverde wereld hebben. Met knuffels en omhelzingen all over. Da’s toch wat je wilt, of niet, man?’
‘Is dat wat je denkt?’
‘Is wát wat ik denk?’
‘Dat die wereld zonder jullie kan.’
Ik zag hoe Charrière zich opblies van frustratie. ‘Wat de f-’
‘-fuck,’ maakt Jezus zijn zin met bewogen gezicht af. ‘Matthieu, word toch wakker. Ik had je ook géén wijn kunnen geven.’
‘Dat had je kunnen doen ja,’ gromt hij.
‘Denk je heus dat ik de wereld wil veroordelen, man?’ Alweer zie ik de licht wanhopige trek op zijn gezicht.
Ik denk dat Charrière het ook ziet. Zenuwachtig schuifelt hij wat heen en weer. ‘Heel aardig en al, maar waarom ga je niet gewoon naar mensen die je wél willen geloven?’
Jezus haalt zijn schouders op. ‘De gezonden hebben geen dokter nodig, maar de zieken wel.’
‘Wat is dat? Je quote uit je eigen boek?’
‘Ja,’ antwoordt Jezus, terwijl hij zich voorover buigt en de uitgedoofde, gestolde kaars opneemt. ‘Dat lijkt me niet meer dan gepast. Denk je niet?’
Tussen zijn vingers rijst een nieuw, aarzelend vlammetje.
Op een slagveld klonk een stem,
’t was van ver te horen,
zong dat er in Bethlehem
een kindje was geboren.
In die nacht zo stil en groot
zwegen de kanonnen,
die zijn bij het morgenrood
toch opnieuw begonnen.
Kerstmis doet ons telkens weer
beterschap beloven,
laat dan deze ene keer
het lichtje niet weer doven..
KERSTVERHAAL
Voetnoot: "Als de lichtjes doven": Kinderen voor Kinderen